Een eenduidig antwoord op de vraag hoe iemand seksverslaafd wordt, is er niet. Niemand is voorbestemd om seksverslaafd of überhaupt verslaafd te worden. Twee personen mogen dan al krek dezelfde hobbelige levensgeschiedenis doorlopen hebben, de een wordt seksverslaafd en de ander niet. Of misschien wel geen van beide, de mens is immers een kranig en flexibel wezen. Vanuit therapeutische en wetenschappelijke hoek is er wel unanimiteit over enkele factoren die je kwetsbaarder maken om in een seksverslaving terecht te komen. Die factoren hebben betrekking op genetische aanleg (als ‘verslaving’ in de familie zit), traumatische ervaringen met seks (met in het ergste geval seksueel misbruik) en een problematische opvoeding of jeugd.

De genetische aanleg buiten beschouwing gelaten, wordt de basis van een seksverslaving dus gevormd door een chronische stress die op zijn beurt veroorzaakt wordt door onverwerkte, pijnlijke ervaringen. Die stress kan vele vormen aannemen: van een laag zelfbeeld tot een gebrek aan zelfvertrouwen tot innerlijke leegte of een resem angsten (verlatingsangst, bindingsangst, faalangst, …). 

Het is zinvol om een onderscheid te maken tussen seksverslaafden die letterlijk reeds hun halve leven met een seksverslaving worstelen en anderen die pas op latere leeftijd in de problemen komen. Die eerste groep noem ik de ‘primaire’ seksverslaafden. Kenmerkend hierbij is de aanwezigheid van een traumatische voorgeschiedenis die als voedingsbodem heeft gediend voor de latere verslaving. Daartegenover staat de ‘secundaire’ of ‘nieuwe’ seksverslaafde die weliswaar geen beladen historiek met zich meetorst, maar die op een bepaald moment in het leven door omstandigheden (ontslag, stukgelopen relatie, depressie, overlijden van een dierbare, mid-life crisis, …) ook de controle over zijn of haar seksueel gedrag aan het verliezen is. Een nieuwe verslaafde heeft als voordeel dat de verslaving niet over een jarenlange vrijheid beschikte om zich te verankeren in zijn of haar leven.